"De ontdekking van Gods majesteit"


Beschrijving

Om de Here te dienen moeten we ontdekken hoe groot God is en hoe zwak wij zijn. Zowel de drie aartsvaders, de drie grote oudtestamentische profeten (Jesaja, Jeremia en Ezechiel) en de drie grote nieuwtestamentische apostelen (Petrus, Paulus en Johannes) hebben een ontmoeting met God of de verheerlijkte Heer Jezus gehad. De Here Jezus Christus is God. Hij zit op de troon. Alleen de zoom van zijn mantel vervult de tempel: groot is Zijn majesteit! Serafs zijn dienende geesten. Zij staan in vuur en vlam voor de heiligheid van de Here Jezus Christus. Zij roepen voortdurend: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer’ . Als wij geroepen zijn, dan zouden we ook de heiligheid van de Here gezien hebben. Als we een glimp van de heiligheid van de Here hebben gezien, dan kunnen we niet anders dan ons volledig overgeven aan de Here. De ontdekking van Gods heiligheid resulteert in “wee mij” en geen extase. In het licht van Gods heiligheid zien we onze verdorvenheid: we zondigen met onze tong al zo regelmatig. We kunnen niets van onszelf verwachten, maar mogen alles van de Here verwachten. Wij worden gereinigd, ontzondigd door het offer van de Here Jezus Christus. Tenslotte vraagt de Here: “Wie zal Ik zenden?”. Zijn wij bereid om ons leven beschikbaar te stellen voor Hem? Niet onze zwakheden maar onze vermeende kracht en wijsheid maken het moeilijk om bruikbaar te zijn voor Hem.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Jesaja 6:1-8

1 In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel. 2 De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. 3 En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! 4 Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook. 5 Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien. 6 Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. 7 En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. 8 Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen. 



 

Meer preken van:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: