"Het blijft bij hetzelfde"


Beschrijving

In het boek Jozua is beschreven hoe de Israëlieten door de Heere een groot deel van het land Kanaän hebben veroverd, maar niet het hele land was veroverd. De Israëlieten sloten compromissen met de overgebleven bewoners. De Israëlieten hielden zich niet aan de verordeningen van God. God wilde de Israëlieten bewaren voor afgodendienst. Het was verschrikkelijk voor de Israëlieten om de bewoners van het land uit te roeien en om broeders te verliezen in de strijd. De Israëlieten gingen de afgoden dienen. God strafte de Israëlieten niet direct, maar zond de Engels des Heere (de Here Jezus Christus) om te waarschuwen. De situatie veranderde echter niet. De Israëlieten bleven de afgoden dienen. De boodschap van de Engel des Heere was dat de Israëlieten uit Egypte waren geroepen. Wij zijn uit deze wereld geroepen. Hoe leven wij nu? Waar gaat onze tijd en geld naar toe? God zal ons nooit verlaten. Hij blijft trouw. Wij komen naar de dienst en wij genieten van de dienst en wij genieten van de dienst, maar laten wij ons leven verder heiligen? Zijn er struikelblokken in ons leven die wij niet bereid zijn om op te ruimen? Wat we zaaien, dat zullen we ook oogsten! Hoe gaan we om met Gods Woord als gemeente? Hoe is ons leven veranderd sinds we tot geloof zijn gekomen? Zijn we nog steeds bereid om ons leven te laten veranderen? Houden we ons aan het Woord van God? Het Woord van God kunnen wij niet veranderen, God wil ons veranderen.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Richteren 2:1-5

1 En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid. 2 En ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands; hun altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt gij dit gedaan? 3 Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn. 4 En het geschiedde, als de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende. 5 Daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij offerden aldaar den HEERE. 




Deuteronomium 7:1-3

1 Wanneer u de HEERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, d 2 En de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. 3 Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. 




Richteren 1:21

21 Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag. 



 

Meer preken van:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: