"Het profetische Woord"


Beschrijving

Door de terreuraanslagen in Europa komt er angst in onze samenleving. Hoe gaan we om met die angst? We hebben het profetisch Woord! We zien dat de weg wordt bereid voor de antichrist, die in eerste instantie wereldvrede zal bewerkstellen. Die wereldvrede blijkt dan een valse vrede te zijn. We weten dat we nu al met Christus mogen leven en we zullen met Hem leven in eeuwigheid. God heeft het wereldgebeuren in Zijn handen. De Here Jezus Christus heeft ons verlost van de angst voor de dood. Op weg naar Jeruzalem had Paulus geen goed uitzicht. Hij stond lijden te wachten; het was Gods weg met Paulus en God zal Paulus genade geven om in het lijden staande te blijven. Bij zijn afscheid van de oudsten van Efeze moedigde Paulus hen de Here Jezus Christus te blijven volgen. In het lijden ontvangen wij troost van God waarmee wij anderen weer kunnen troosten. Op weg naar Jeruzalem waren er verschillende mensen die Paulus wilde weerhouden om naar Jeruzalem te gaan: mensen die beweerden een openbaring van God te hebben ontvangen; en zelf reisgenoten van Paulus probeerden het. Paulus was bereid te lijden en te sterven voor de naam van de Here Jezus Christus: Gods wil geschiede! Ook hadden mensen eerder geprobeerd de Here Jezus Christus te weerhouden van het lijden, maar Hij was gekomen om Gods wil te doen. Hoewel Paulus wist wat hem te wachten stond, maakte hij zich nergens zorgen om. Hij wist dat hij zijn zorgen bij God kon brengen en dat de vrede van God over hem kwam. Paulus achtte zijn leven niet kostbaar voor hemzelf. Hij had geen verwachtingen van de rijkdom van deze wereld. Hij kon zijn leven volkomen toevertrouwen aan God, want met Christus te zijn is het allerbeste.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Handelingen 20:16-38

16 Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azie zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk ware) op den pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen der Gemeente. 18 En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af, dat ik in Azie ben aangekomen, hoe ik bij u den gansen tijd geweest ben; 19 Dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden; 20 Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen; 21 Betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus. 22 En nu ziet, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal; 23 Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. 24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik, van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods. 25 En nu ziet, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult. 26 Daarom betuig ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen. 27 Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods. 28 Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. 29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. 30 En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. 31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. 32 En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden. 33 Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd. 34 En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. 35 Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van den Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen. 36 En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden. 37 En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem; 38 Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip. 



 

Meer preken van:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: