"Hosea - Gods gerechtigheid"


Deze preek is onderdeel van de prekenserie: "De 'kleine' profeten".

Beschrijving

Wij voelen Gods hart kloppen. God is gekrenkt door de afdwalingen van Israel. Er was veel uiterlijke godsdienst. Gods gerechtigheid straft het onbekeerde Israel. Gods gerechtigheid moest worden gehandhaafd, want God had een verbond gesloten met Israel. Gerechtigheid is dat wat beantwoord aan Gods oorspronkelijke bedoeling met heel Zijn schepping en met al het leven (Jezus Christus). Israel had Gods goedheid verworpen (Hosea 8:1-3), soevereiniteit (:4), aanbidding (:5-7), almacht (:8-10) en Gods gebeden (:11-14). Gods karakter is goed. De duivel stelt dit ter discussie. Israel handelde zonder God erin te betrekken. Alleen aan Israel was de kennis van de ware God toevertrouwd. Kennis was niet alleen iets van het hoofd, maar ook van het hart. Israel verwierp Gods bescherming. Zij zochten bescherming bij andere volkeren. Israel richtte valse altaren op. Zij vereerden op zelfgekozen wijze en op zelfgekozen plaatsen. Het oordeel van God komt door zorgen (Hosea 9:1,2), ballingschap (:3-9), de dood (:10-17) en angst (10:2,8). De oogsten van Israel mislukten. Israel verwachtte de vruchtbaarheid van Babel. Israel zocht hulp van Assyrië. God bracht Israel in ballingschap in Assyrië. De ballingschap brengt de dood. Overvloed had Israel overmoedig en trots gemaakt. Wij hebben hetzelfde hart als de Israëlieten. We kunnen God vinden in Christus Jezus, in Gods Woord. Gods Geest kan en wil in ons werken om Gods wil te doen.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Hosea 8

1 De bazuin aan uw mond; hij komt als een arend tegen het huis des HEEREN; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden. 2 Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israel, kennen U. 3 Israel heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen. 4 Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden. 5 Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen? 6 Want dat is ook uit Israel; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria. 7 Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. 8 Israel is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, gelijk een vat, waar men geen lust toe heeft. 9 Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraim hebben boelen om hoerenloon gehuurd. 10 Dewijl zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege den last van den koning der vorsten. 11 Omdat Efraim de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen. 12 Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds. 13 Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar de HEERE heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hunner ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weder in Egypte keren. 14 Want Israel heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren. 




Hosea 10:9-15

9 Sinds de dagen van Gibea, hebt gij gezondigd, o Israel; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen. 10 Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren. 11 Dewijl Efraim een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraim berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen. 12 Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene. 13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden. 14 Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd verpletterd met de zonen. 15 Alzo heeft Beth-el ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israels koning is in den dageraad ten enenmale uitgeroeid. 



 

Meer preken van:

Prekenserie:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: