"Hosea - Gods heilige liefde"


Deze preek is onderdeel van de prekenserie: "De 'kleine' profeten".

Beschrijving

Gods liefde is vol heiligheid en Gods heiligheid is vol liefde. De eerste drie hoofdstukken van Hosea gaan over het huwelijk van Hosea: het is een openbaring van Gods hart. De overige hoofdstukken gaan over het karakter van God. Hosea’s naam betekent verlossing. God heeft alles gedaan om ons te verlossen. Uit liefde heeft Hij geleden voor ons. Hosea was profeet, een geroepene van Godswege om als boodschapper te verkondigen dat vanuit de hemel door God tot mensen wordt gezegd. Hosea was de laatste profeet, die Israël opriep om zich te bekeren. Er was in die tijd slechts veel uiterlijke godsdienst. Het eerste hoofdstuk gaat over de overspelige vrouw en haar trouwe echtgenoot. Het was een pijnlijke ervaring voor Hosea. God ervaarde dezelfde pijn. Het resultaat waren bittere vruchten wat terug te vinden is in de namen van de kinderen: Jizreël, God verstrooit, God grijpt in, Lo-Rachama, geen ontferming, geen medelijden, God trekt zich terug, Lo-Ammi, niet mijn volk, allerlaatste waarschuwing. Tenslotte is daar toch de triompf van Gods genade: zes specifieke zegeningen in de toekomst. Genade: het tegenovergestelde van wat we hebben verdiend. Het tweede hoofdstuk vormt een röntgenfoto van Israël. God klaagt Israël aan (Gods heiligheid). Israël wordt gestraft (Gods gerechtigheid). Israël wordt vernieuwd en hersteld (Gods liefde). In het derde hoofdstuk wordt de verlossing van Gomer beschreven en Israël’s herstel. God beschrijft Zijn plannen met betrekking tot de verlossing van de verloren natie Israël in het verleden, in het heden en in de toekomst. Hosea kocht Gomer vrij voor de halve prijs van een slaaf. De Here Jezus Christus werd verraden voor de volle prijs van een slaaf. Gods liefde en gerechtigheid ontmoeten elkaar aan het kruis.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Hosea 1

1 Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea, den zoon van Beeri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israel. 2 Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zeide tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE. 3 Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon. 4 En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreel, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreel bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israel doen ophouden. 5 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israels boog verbreken zal, in het dal van Jizreel. 6 En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren. 7 Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. 8 Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. 9 En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. 10 Nochtans zal het getal der kinderen Israels zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. 11 En de kinderen van Juda, en de kinderen Israels zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreel zal groot zijn. 




Hosea 3

1 En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israels bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven. 2 En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst. 3 En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u. 4 Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. 5 Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen. 



 

Meer preken van:

Prekenserie:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: