"God is met ons"


Beschrijving

Wij mogen God dienen op de plek waar we zijn, zelfs als wij 80 jaar zijn. Mozes was goed opgeleid, maar mocht 40 jaar schapen hoeden. Vanuit het brandende braambos riep God Mozes bij zijn naam. God roept ons ook bij onze naam: Hij wil ons leren in de rust van God te blijven. Hij noemde Zich de God van de vaderen. Hij is trouw. Mozes uitte respect voor God door zijn schoenen uit te trekken en God niet aan te kijken. Weten wij hoe heilig God is? God kende het leed van de Israelieten, maar Hij kent ook ons leed. God daalde neer om Zijn volk te redden. Ook de Here Jezus is in eerste instantie gekomen om Zijn volk te redden. Mozes werd geroepen voor een nieuwe, moeilijke taak toen hij 80 jaar was. God geeft ons geen te moeilijke opdracht. Hij is altijd bij ons, daarom kan Hij veel van ons vragen. “Ik ben, Die Ik ben” stuurt ons op weg en gaat met ons mee. We mogen de Here Jezus Christus laten zien in het dagelijks leven. We mogen in opleiding zijn bij God, misschien voor Zijn schapen zorgen of een andere moeilijke taak uitvoeren voor Hem.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Exodus 3:1-12

1 En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, den priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb. 2 En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. 3 En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt. 4 Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 5 En Hij zeide: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land. 6 Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. 7 En de HEERE zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend. 8 Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten. 9 En nu, zie, het geschrei der kinderen Israels is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyptenaars hen verdrukken. 10 Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israels) uit Egypte voert. 11 Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de kinderen Israels uit Egypte zou voeren? 12 Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op dezen berg. 



 

Meer preken van:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: