"Wat Bijbelse namen over de Here Jezus vertellen"


Beschrijving

God kent ons bij onze naam. Wij zijn geen nummer voor God. Toen David hoorde over de belofte van de Messias als één van zijn nakomelingen, wilde hij graag een huis voor God bouwen. Maar God bouwde een ‘huis’ voor David. Davids naam betekent ‘de geliefde’. In het Mattheus evangelie wordt drie keer ‘de geliefde’ genoemd, waarmee de Here Jezus (Zoon van David) wordt bedoeld: in 3:17, 12:18 en 17:5. De Here Jezus Christus was Zoon, maar werd Knecht van God om de wil van God uit te voeren God roept ons op om te luisteren naar Zijn Zoon. God heeft Zijn genade geschonken in Zijn Geliefde. Ammon: getrouw, geloven. Geloven is ‘amen’ zeggen op wat God zegt. We moeten eerst geloven voordat we kunnen vertrouwen. Ahinoam: mijn broeder is lieflijk. De Here Jezus Christus is onze geestelijke Broeder. Hij is lieflijk. Chileab: zoals zijn vader. De Here Jezus Christus is zoals Zijn Vader. Abigail: mijn vader is vreugde. Uiteindelijk is God de bron van onze vreugde. Absolom: vader van vrede. God is de Oorsprong, de Vader van de vrede. God heeft vrede tot stand gebracht door het bloed van de Here Jezus. Hij is de Vredevorst. Hij is onze Vrede. Maächa: druk, persing. De vrede heeft de Here Jezus ontzettend veel gekost. Adonia: mijn Heere is Jaweh. De Here Jezus Christus is Knecht van God geworden. Haggith: feestelijkheid. De Joden moesten zeven feesten houden en bij elk feest hoorden offers, die wijzen naar het offer: de Here Jezus. Door Zijn offer kunnen wij feestvieren. Sefatja: geoordeeld door Jaweh. De Here Jezus Christus is veroordeeld in onze plaats. Abital: mijn vader is dauw. Dauw betekent vruchtbaarheid, zegen, voorspoed. Wij zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen in Christus. Jithream: voornaamste onder het volk. De eerstgeborene is de voornaamste. De Here Jezus is de Eerstgeborene, Hij is de Voornaamste van het volk Israel, de gemeente en de schepping.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

2 Samuel 3:2-5

2 En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische; 3 En zijn tweede was Chileab, van Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 4 En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital; 5 En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Dezen zijn David geboren te Hebron. 




Mattheüs 3:17

17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! 




Mattheüs 2:18

18 Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn! 




Genesis 15:19

19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet, 




Deuteronomium 21

1 Wanneer in het land, hetwelk de HEERE, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft; 2 Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom den verslagene zijn. 3 De stad nu, die de naaste zal zijn aan den verslagene, daar zullen de oudsten derzelver stad een jonge koe van de runderen nemen, met dewelke niet gearbeid is, die aan het juk niet getrokken heeft. 4 En de oudsten derzelver stad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe aldaar in het dal den nek doorhouwen. 5 Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want de HEERE, uw God, heeft hen verkoren, om Hem te dienen, en om in des HEEREN Naam te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle plaag afgedaan worden. 6 En alle oudsten derzelver stad, die naast aan den verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is; 7 En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien; 8 Wees genadig aan Uw volk Israel, dat Gij, o HEERE! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israel! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn. 9 Alzo zult gij het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want gij zult doen, wat recht is in de ogen des HEEREN. 10 Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd tegen uw vijanden; en de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat gij hun gevangenen gevankelijk wegvoert; 11 En gij onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt; 12 Zo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagelen besnijden. 13 En zij zal het kleed harer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult gij tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn. 14 En het zal geschieden, indien gij geen behagen in haar hebt, dat gij haar zult laten gaan naar haar begeerte; doch gij zult haar geenszins voor geld verkopen, gij zult met haar geen gewin drijven, daarom dat gij haar vernederd hebt. 15 Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn; 16 Zo zal het geschieden, ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is. 17 Maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is het zijne. 18 Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal, 19 Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad, en tot de poorte zijner plaats. 20 En zij zullen zeggen tot de oudsten zijner stad: Deze onze zoon is afwijkende en wederspannig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en zuiper. 21 Dan zullen alle lieden zijner stad hem met stenen overwerpen, dat hij sterve; en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen; dat het gans Israel hore, en vreze. 22 Voorts, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben; 23 Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar gij zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is Gode een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft. 



 

Meer preken van:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: