"De intocht van de Here Jezus in Jeruzalem"


Beschrijving

Het leven is moeilijk, ‘t Gaat niet altijd goed. Donkere wolken tussen ons en de zon. We mogen blij zijn omdat Jezus voor ons gekomen is.

Men zegt dat indertijd tussen de 250. 000 tot 300. 000 mensen in Jeruzalem waren gekomen om het Paasfeest te vieren Een Jood ging niet door Samaria heen, maar door het Overjordaanse en via Jericho (Palmstad) op naar de berg Sion.

In Mark 10 : 46 t/m 52 en Mark 11: 1 t/m 11 lezen we over de genezing van een blinde. In Luc 19: 1 t/m 9 over een tollenaar die genezen wordt. Nog 2 blinden worden genezen Matt 20:29 t/m34.

Matt 26:6 t/m 12 en Joh 12: 1 t/m 7 Maria zalft de Here Jezus. De Here Jezus rijdt op een ezel. Hij, de Vredevorst. De romeinen rijden op paarden. De mensen roepen Hosanna, er zit spanning in. Ze verwachten, hopen dat Hij hen van de Romeinen zal verlossen. Hij wil Jeruzalem vrede aanbrengen en ons ook.

Wij moeten niets meer, ons hart openen, Hem toelaten. Hem als het ware alles laten doen!

Jezus gaat naar het tempelplein, er is een vrijmarkt op het Tempelplein, er wordt gehandeld, afgedongen. In schril contrast met God die alles gaf en Jezus die Zichzelf gaf. Jezus reinigt de tempel. Ze vragen naar Zijn bevoegdheid. Hij is het echte Paaslam!

Er zijn een paar Grieken die Hem willen zien Joh 12:24 zo behandelt Broeder Cor in vogelvlucht de hoofdstukken 12 t/m 17. Broeder Cor eindigt met 2 Thess. 2: 16,17.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Lukas 19:18-44

18 En de tweede kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 19 En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden. 20 En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had; 21 Want ik vreesde u, omdat gij een straf mens zijt; gij neemt weg, wat gij niet gelegd hebt, en gij maait, wat gij niet gezaaid hebt. 22 Maar hij zeide tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb. 23 Waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelve met woeker mogen eisen? 24 En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien, die de tien ponden heeft. 25 En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden. 26 Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. 27 Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood. 28 En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem. 29 En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fage en Bethanie gekomen was, aan den berg, genaamd den Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond, 30 Zeggende: Gaat henen in dat vlek, dat tegenover is; in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbindt hetzelve, en brengt het. 31 En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat, zo zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat het de Heere van node heeft. 32 En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen? 34 En zij zeiden: De Heere heeft het van node. 35 En zij brachten hetzelve tot Jezus. En hun klederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop. 36 En als Hij voort reisde, spreidden zij hun klederen onder Hem op den weg. 37 En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden; 38 Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen! 39 En sommigen der Farizeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen. 40 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen. 41 En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, 42 Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. 43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; 44 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. 




Markus 10:46-52

46 En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende. 47 En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. 48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner. 49 En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u. 50 En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. 51 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden. 52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg. 




Markus 11:1-11

1 En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanie, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit, 2 En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het. 3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? Zo zegt, dat de Heere hetzelve van node heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden. 4 En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve. 5 En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt? 6 Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan. 7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve. 8 En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg. 9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna! gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! 10 Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanie met de twaalven. 




Lukas 19:1-9

1 En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho. 2 En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; 3 En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. 4 En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan. 5 En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven. 6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap. 7 En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen. 8 En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. 9 En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is. 




Mattheüs 20:29-34

29 En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd. 30 En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer. 31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids! 32 En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe? 33 Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden. 34 En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem. 



 

Meer preken van:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: