"Zien wij het nog?"


Beschrijving

We zien niet meer waar het eigenlijk om gaat. Er is zoveel verscheidenheid. Als God Zich openbaart aan mensen, dan is er een ontzagwekkende heiligheid en vreze. Jesaja zag de Here op een hoge en verheven troon. God is zoveel hoger dan mensen en andere goden. Zijn wegen en gedachten zijn niet onze wegen en gedachten. De serafs hebben zes vleugels. Twee vleugels bedekken hun gezichten; zij zijn niet waardig de Here te zien; nederigheid. Twee vleugels bedekken de voeten; een bede om bewaard te blijven op de wegen die ze gaan. Twee vleugels, waarmee ze vlogen, zijn een voortdurende proclamatie van Gods heerlijkheid. Als wij alles van God verwachten, dan kan Hij meer doen dan wij verwachten. God is niet veranderd ten opzichte van het Oude Testament, alleen de weg tot God is veranderd. Wij hebben genade ontvangen door Jezus Christus, maar God is nog steeds heilig. In de ogen van God zijn wij zondig en onrein, maar in de Here Jezus zijn wij gereinigd. Met ontzag mogen we tot God komen. We leven in een verloren wereld. Jezus Christus was met ontferming bewogen over de verloren wereld. Als wij één druppel van Christus’ ontferming hebben, dan bidden wij voor diegene die naast ons staan. Onze ongerechtigheden zijn geweken en onze zonden zijn niet alleen vergeven, maar ook verzoend. Jesaja stelde zich beschikbaar voor God, maar hij had daarvoor een ontmoeting met God gehad. Hij had moeten zeggen dat hij ten onder ging, maar dat hem genade verleend was.
Download:

In de preek aangehaalde bijbelteksten (Statenvertaling):

Jesaja 6:1-8

1 In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel. 2 De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. 3 En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! 4 Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook. 5 Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien. 6 Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. 7 En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. 8 Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen. 



 

Meer preken van:

Preken over onderwerp:

Preken over bijbeltekst: